Gesprekken vandaag met vier heel verschillende mensen, met de gemeenschappelijke achterliggende vraag ‘hoe lang mag je rouwen?’ Verdrietig zijn over een verlies of over het verlies van je toekomstbeeld als moeder of vader, is slechts een deel van je identiteit. Je leeft verder in je rol van werkgever, elke dag op tijd op kantoor. Je zorgt voor een werknemer die een kindje verliest na 5 maanden zwangerschap. Je gaat op kraamvisite, alweer, en als je moet huilen doe je alsof het van vreugde is omdat jouw vriendin zoiets bijzonders mag meemaken. Je wilt tenslotte niet haar moment verpesten, haar genieten in de weg staan. Alsof je dat ook maar zou kunnen. En het lukt je allemaal, je bent het ook allemaal.
Ergens parallel daaraan kan een rouwproces aan de gang zijn, midden in het leven. Zoals een pollenallergie in het voorjaar. Je wilt wel stoppen met snotteren , maar daar komt alweer een zonnige dag vol stuifmeel. Verwerken kost tijd, maar waar haal je de tijd vandaan? En wil je er eigenlijk wel tijd voor nemen? Er is tenslotte meer dan genoeg te doen.
De vraag of het normaal is om lang te rouwen komt niet zomaar op. Vaak is het door opmerkingen van anderen. Iemand die vraagt: ‘ben je daar nu nog steeds mee bezig?’ raakt aan je ‘onvermogen’ . Langere tijd rouwen heeft kennelijk een negatieve associatie. Niet voor niets worden steeds vaker antidepressiva en/of psychologische hulp voorgeschreven als na drie maanden de rouwende niet is opgeknapt. Niet voor niets zijn na 6 maanden na een verlieservaring de meesten zo niet van binnen, dan wel van buiten aan de beterende hand.
Iets dat geheel geaccepteerd is levert in de regel geen negatieve emoties zoals schaamte op. In een samenleving waarin langdurige rouw als positief wordt gezien vraagt niemand zich af of zij te lang verdrietig is. Ik hoop dat ook voor ons een tijd aanbreekt dat verdriet bij het leven mag horen, hoe pijnlijk ook.