‘Maar je hebt toch al een kind?’ Kort verhaal over secundaire kinderloosheid

Samen met haar man heeft Betty jarenlang geprobeerd om zwanger te worden. Ze hebben nooit echt overwogen om aan medische behandelingen te beginnen, het onderwerp kwam gewoon niet ter sprake. Ze dacht dat haar man dat geen goed idee zou vinden. Betty heeft zich heel veel zorgen gemaakt, maar ze is niet zo’n prater en haar man ook niet. Ze wilde erin blijven geloven, deed dat ook heel lang, en toen ze stilzwijgend haar hoop al lang had laten varen werd ze opeens zwanger. Ze was toen 38. Betty is het enige kind thuis, en ook haar ouders zijn geen praters, maar het kleinkind was welkom en werd gekoesterd. Als Betty hulp nodig had kon ze altijd haar ouders vragen, oppassen was geen enkel probleem. Haar ouders vroegen zelfs weleens of ze hun kleinkind eens een dagje mochten ‘lenen’, maar dat vond Betty nergens voor nodig. Ze wilde haar ouders niet belasten. Zij ging toch nergens naartoe, waarom zou ze ook, thuis was het fijn. Op vakantie gaan of eens uit met haar man hoefde voor haar ook niet: je ging immers toch altijd weer terug naar huis, dus dan kon je daar ook blijven.
Betty wilde moeder worden, en ze was het geworden! Toch vroeg ze mijn hulp omdat ze zich alleen en eenzaam voelde en na een voorzichtige start – Betty moest even aan mij wennen, want ik ben wel een prater – gingen we op zoek.
Het gevoel van kinderloos zijn was niet voorbij, zei Betty. Heel lang had zij in spanning geleefd of er een kind zou komen. In haar familiecultuur kreeg je kinderen, of je droeg je kinderloosheid. Een tante was kinderloos gebleven en Betty dacht wel dat dat haar verdriet deed. Maar ernaar vragen had ze nooit aangedurfd. De familie had er ook nooit naar gevraagd. Maar na een kind moest er een tweede komen. Een kind had een broertje of een zusje nodig om mee te spelen. Als Betty haar kind op het schoolplein zag spelen werd ze niet blij omdat het vriendjes had, maar verdrietig omdat het geen broertje of zusje had. Zij had het gevoel dat ze haar kind tekort deed en omdat er in de familie niets gevraagd werd, was er des te meer te raden over wat ze dachten. Er was heel veel wat Betty dacht dat anderen dachten, en ’s nachts teveel tijd om hierover te piekeren.
Op het schoolplein werden ook wel dingen gezegd. Dat ze wel meer tijd zou hebben om op school te helpen, zij had immers maar een kind. ‘Ik zou er ook graag twee gehad hebben’, zei Betty dan weleens voorzichtig. Maar ze had niet het gevoel dat ze werd begrepen en soms werd het weggewuifd met ‘ach joh, je hebt toch een kind? Zo leuk is het niet hoor, twee of drie’. Na een tijdje stond ze alleen op het schoolplein. Het was beter zo, ze hoorde er toch niet bij.
Betty bleef lange tijd komen en is nooit een prater geworden. Voor haar was het heel moeilijk om een uur lang ‘uitgevraagd’ te worden en onder woorden te brengen hoe ze zich voelde. Langzamerhand werd het haar duidelijk dat het haar hielp in haar relaties om iets meer woorden te geven aan wat er in haar omging. Stap voor stap lukte dat ook. Op een dag is zij op bezoek gegaan bij haar oude tante en heeft ze haar verdriet gedeeld. Want bij haar tante waren er nooit kinderen gekomen, maar bij Betty zou er nooit een tweede komen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *